The Golden D

The Golden D Graham Coxon

Zo af en toe loop je geheel toevallig tegen een plaat aan, die om wat voor reden dan ook geen enkele aandacht in de landelijke (muziek)bladen heeft gekregen. Na het beluisteren van zo'n plaat kun je je soms heel goed voorstellen dat deze aandacht heeft ontbroken, omdat de plaat het simpelweg niet verdient. Soms echter, stuit je op juweeltjes die je doen twijfelen aan de kwaliteiten van betreffende bladen. The Golden D van Graham Coxon is zo'n juweeltje. Prachtig vormgegeven, in een kartonnen hoes, met een boekje vol tekeningen van eigen hand en in een zeer beperkte oplage gedrukt.

Coxon is de gitarist van de bekende Britpop band Blur, die met dit album zijn tweede soloplaat aflevert. De muziek die hij als soloartiest maakt (hij heeft alle instrumenten zelf bespeeld) lijkt echter in geen enkel opzicht op de muziek die hij met zijn kompanen van Blur maakt. Jankende en scheurende gitaren, vervormde zang en stuwende ritmes van drum of computerbeats, waarbij de meeste nummers klinken alsof ze in een koektrommel zijn opgenomen, brengen de plaat op het snijvlak van punk en industrial, met heel af en toe een vleugje Britpop.

De plaat opent meteen goed met het, door de zich steeds herhalende zang, bijna hypnotiserende Jamie Thomas. Ook de daaropvolgende nummers doen een beroep op het zenuwstelsel. Pas het zesde nummer, Lake, brengt enige rust en komt daar ook op het juiste moment. Waarna het vervolgens met Fags and Failure weer op de oude voet verder gaat. Naar het einde van het twaalf nummers tellende album komen echter steeds meer rustpunten en af en toe klinkt zelfs een akoestische gitaar. Enige vreemde eend in de bijt is het met toeters en bellen omgeven, bebop-achtige Oochy Woochy, dat wat mij betreft in de studio had mogen achterblijven. Het gevoel hier met een bijzonder album van een bijzonder artiest te maken te hebben blijft. Een aanrader voor iedereen die niet bang is voor het obscure.


© 2008 - Kortsluiting