Renée Barabara Luth

Ik ben Renée Barbara Luth. Geboren op 6-12-79 in Eibergen (de achterhoek in Gelderland) Ik ben dus net 24. Tot mij zeventiende heb ik in het plaatsje Goor in twente gewoont. Tot ik eindelijk mocht gaan struderen in Amersfoort. Hier heb ik creatieve therapie beeldend gestudeerd. Ik heb een tijdje in de kinderdagopvang, psychatrie en het speciaal onderwijs gewerkt. Tot ik mijn voormalig vriendinnetje ontmoette waarvoor ik naar Groningen ben verhuisd. In Groningen heb ik een tijdje in een asielzoekercentrum gewerkt en nu heb ik zoals dat tegenwoordig zo mooi wordt genoemd "een sabatical year". Ik richt me nu vooral op mn hobby's dichten, zingen, theater en beeldhouwen.( En haal mn puberteit nog een beetje in! (hahaha)) Ik treed af en toe op als dichter of jazz/soul/blues/zangeres... de rest blijft meer iets voor mijzelf.

Ik dicht al sinds mn achtste. Ik heb nog van die kleine dummy's vol met rijmpjes... mijn fascinatie voor taal is dus al vrij vroeg begonnen terwijl ik begon als een lichtelijk dyslectisch geval geloof ik... Overcompensatie?! Ik schrijf vooral autobiografisch of over andere mensen. Mijn interesse gaat sterk uit naar de psyche/gevoelswereld van mensen. Vandaar dat ik ooit ook therapeut wilde worden. Liefde is mijn hoofdthema omdat ik nogal een naieve romanticus ben die vaak onderuit gaat, maar blijft dromen.. Daarnaast is de excistentiele eenzaamheid een thema. Ik denk dat iedereen die veel nadenkt daar last van heeft. Het gevoel los te staan van de wereld. Een eiland te zijn. De eeuwige buitenstaander. Nou ja.. ik ben in het dagelijks leven heel gezellig en vrolijk hoor! maar ik moet dat zwaardere stukje ook kwijt en dat doe ik dus in mijn gedichten.

 

Liefste

Kom je?
Ik heb alles opgeruimd.
Ik heb mijn hart schoongeveegd,
mijn hoofd uitgemest,
en mijn huid gladgestreken.
Liefste kom je?
Ik heb lekkers in huis gehaald.
Genoeg verlangen in de koelkast,
verwachtingen in de diepvries
en de tafel is al gedekt met hongerige hartstocht.
Er is genoeg voor ons beiden.
Liefste kom je?


Stad

De dagen vouwen zich
dicht
als vermoeide bloemen.
De tijd springt
als een verdwaalde kikker
in het rond.
Niemand weet of het vandaag morgen is,
men heeft vergeten
gisteren te begraven.

De straten blozen,
ze zijn naakter dan ooit.
Ze huiveren wanneer de laatste mensen
over hun vel marcheren.
De flats zijn in slaap gevallen.
Het laatste beetje neonlicht
is als een nachtlampje
voor een bang kind.

De stad lijkt in coma,
een deel van het leven te missen.

Hier leeft geen nacht,
enkel uitputting.
Hier woont geen mens,
enkel maatschappij.


Vlinders

Loodzware vlinders waggelen door mijn hoofd.
Volgevreten illusies, kotsend verlangen.
Bedorven geluk ligt zwaar op de maag.
De vlinders volgegoten met bedwelmende beloftes
weten dronken geen koers meer te houden.
Jij,
jij staat levensgroot in mijn hart,
dat te klein is
en bijna uit zijn voegen barst.
In je hand mijn ogen.
Ik loop blind.
Breek mijn hoofd.
Buig mijn rug.
Scheur mijn huid,
het liefst doormidden.

Mijn hart begeeft het.
Jij breekt vrij
en laat me met leeggedronken beloftes achter
terwijl mijn begeerte
en mijn besef
kotsmisselijk achterblijven


Lek

Ik dacht gister
maar mijn hoofd is lek.
Ik schenk herinneringen
aan dronkaards
in te diepe glazen,
maar mijn hoofd raakt nooit leeg.
Melancholie loopt door de leegte
van de nacht,
tast om zich heen als een blinde.

Jouw gezicht is nu als sigarettenrook,
een geur die blijft hangen.
Een sfeer van zoeken,
kwijt zijn,
niet vinden.

Mijn hart is de kroeg
waar ik laveloos lig
verzonken en dronken
in te veel verlies.
De tijd is de kroegbaas
en gooit mij buiten
in een kil vergeten.

Ik loop langs blauwe plekken
waar alles stil schreeuwt
alsof het sterft.

Ontnuchterd loop ik
mijn gevoel tegen het lijf.
Ik vrij met het verdriet.

Zachtjes zoek ik de ochtend.


Illusies

Levenloze illusies staan
buik aan buik
uit hun holle ogen te staren
naar de blinde muur
rationaliteit.
Met gezwollen vingers
van het graven
in verstand.
Met dodelijk vermoeide zielen
van de paringsdans met de rede.

Boeddhistisch zwijgen mijn gedachten.
De doelloosheid rent
krijsend door mijn hoofd.
Ik lijk een schizofrene zwerver
wonend in een verdwaalde identiteit.
Met mijn handen vuil
van het graven
in woorden
en mijn huid versleten
door het vluchten
van de schone schijn.

Mij rest de naaktheid
van mijn blote ego
zodat de gek haar woorden
eindelijk
uit mijn pen lekken.

De illusies komen weer tot leven.
Juichend, bonkend
op de deur van het gedicht
Hun verhalen schilderen ogen
op blinde muren,
kietelen tranen onder de voeten.
Een parade twijfels loopt
hand in hand
mijn hoofd uit.


Blaffen

Je liet los
wanneer we door een woud woorden liepen.
Ik mocht de geur van twijfels opsnuiven.
Mocht jouw gedachten afkluiven,
mocht mij aan de takken verlangen schuren,
graven naar verloren uren.
Ik begroef mijn gevoel te diep
onder de wortels van jouw ambivalentie.
Ik likte jouw hart schoner dan het was.
Ik krabde het verstand stuk.
Vrat het voer van jouw gelijk.

Ik was de geslagen hond
die de handen van de illusie bleef likken.
Nu blaf ik harder dan ik ooit bijten kan
Mijn tanden zijn stompjes mededogen.

Ik blijf waken
als een angstige hond
die uit zijn hart is getrapt.


© 2008 - Kortsluiting