Froukje Pitstra

Gedichten:

 

Struisvogel Ego

Hoe ik ervaarr,
in een gebaar.
In een handomdraai,
een ommezwaai:
Voortaan gaan of,
heel even maar,
als kluizenaar alleen staan?

Maar zwijgend
lijkt het zand zo,
zo dreigend,
bijna omgeving brekend.
En hoe vertekend is het beeld
dat mijn ego streelt?

Mijn ego,
mijn ego is
groter dan een struisvogelei,
maar het is van mij!

En zelfs een struis- of andere vreemde vogel
vlucht niet meer,
want
zand in je oor doet echt wel zeer
en keer op keer
hoor je toch ook weer
dagen niets.

(2001)


Met winterogen

Met takken over het gezicht
op bevroren gras in winterlicht,
hoor ik verbaasd kijkende mussen:

'wie maakt toch nu weer zo'n lawaai,
vertrapt ons voedsel ondertussen?'


De koude tuin weet
in een zucht
het Nu en Nooit
in mij
te sussen

En vroeger komt terug

De tuin ligt stil,
licht roerloos haar verleden
op
de tuin van prinsen, Prinsetuin

Een hoge boom ziet zoveel meer,
neemt ademloos het leven weer.
En weergaloos verandert al zijn rust
in onze eigentijdse haast.

Ik ben verbaasd:
'Ziet niemand meer,
wat hier ooit was?'


De oude boom,
kijkt op de vijver neer.
Zijn groene oog,
al eeuwen oud,
ziet zijn geliefde weer.
Hij maakt het hof,
ze kijkt omhoog,
naar hem

En blozend,
voor altijd
in die Tuin verpozend,
spiegelt ze
het verleden
aan mij terug

(2001)


Witte zwanen, zwarte zwanen

In het donkere einde van de eeuw
is het licht dat ik zie
een eindeloze stap terug
Maar de tijd is wat ze is
en de donkerblauwe gaten van je gezicht,
je ogen,
vertellen me zoveel meer
over het verleden
dan jij ooit doet

Jouw bleke huid was ooit
een open boek,
maar de deur,
die eens te vaak werd ingetrapt,
is eigenlijk vanzelf in het nachtslot gevallen

Witte zwanen, zwarte zwanen,
Je denkt: 'ik ga nog eens naar Engeland varen'
Maar de poort lijkt voorgoed gesloten
en de sleutel brak
kort na jou.

(1999)


Times

(of: van de tijd & het mes)

Geslepen messen
vertellen
-t' is kort na zessen-
dat het tijd wordt om te gaan
Hoor!
Het slaan!
de eikenhoutendeur
slaat de sleur
dood!
tegen het kozijn
Ja! Het was fijn,
maar je messen gaan me steken
-m'n ogen zien dat teken-
dus ik sluit de tijd

(1998)


Leeuwarden-Groningen (per trein)

Het lange grijs glijdt geel voorbij
en groen blijft in het oog
doorkliefd door bruin
vliegt massa op
-gevederd zwart-
-geschrokken vlucht-
verdwijnt in wolkenwit

Geel boemelt, schokt,
bereikt het grijs
vangt roze, geeft ook weg
Een rode wijzer wijst naar zwart
heel even voor vertrek

Geel komt in gang, roze wachtend achter hek

Een volgend grijs, een nieuwe tint
het groene gaat ook mee
Dan heel veel grijs, vol roze & bruin
geluiden, stoelendans
Geel loost haar kleur,
verwacht snel nieuwe glans

Wijst rood naar zwart:
een gil, gekrijs!
Geel staat op
lang en grijs.

(2004)


Van tweestrijd en van zeven knopen

Liefdevol
draait ze
keer op keer
m'n maag om
bij de les 'natuur'
dus laat ik me verwijderen
door falen, man en gras

Oh, heerlijke naïviteit
werp me terug
op m'n gevoel
Laat me vluchten
richting bom
Ik,
draagster van het vuur,
vind lont
opnieuw in jou

Maar teruggekeerd
ben ik, NU
Niet veel wijzer
zwijgen
zeven knopen in m'n maag,
snap ik
nog steeds niets
van de les 'natuur'

(1995-2001)

 

Kruin

Hij vroeg zich af hoe in godsnaam hij in deze boom was beland. De knoestige eik stond midden in de tuin van een huis met groene kozijnen. Of waren ze bruin? Liet zijn geheugen hem nu zo in de steek, dat hij zich niet meer voor de geest kon halen wat hem in deze boomkruin had gebracht?
    Freek keek om zich heen. Elf jaar was hij pas, maar morgen werd hij twaalf. Vanochtend op school had hij geluisterd naar het verhaal van Icarus die vleugels maakte om naar de zon te vliegen. Hij kon zelf ook vleugels maken, had hij toen bedacht.
    Freek bezat een grote verenverzameling, die zou goed van pas kunnen komen. Hoe hoog zou hij kunnen vliegen?
    Die middag maakte hij in de garage twee grote vleugels. Het werd een bonte verzameling van veren, die hij met behulp van ijzerdraad op zijn rug bevestigde.
    Op het balkon van de slaapkamer keek Freek naar beneden. Heel even realiseerde hij zich de mogelijkheid van een val. Toen klom hij op de rand en sprong zelfverzekerd de lucht in.
    In twee, drie ferme slagen vloog Freek naar de eik in het midden van de tuin. Vrolijk fladderde hij rondom de boom. 'Kijk mam, ik vlieg, zo hoog ben ik nu,' schreeuwde hij. Zijn moeder keek omhoog en lachte hem toe. 'Goed zo jongen, maar kijk je wel uit?'
    Toen hij vermoeid raakte van het slaan met de vleugels, het moest tenslotte wennen, landde hij in de kruin van de eik.
    Het opvliegen van een bruingevederde vogel deed hem opschrikken uit zijn gedachten. Freek keek om zich heen. De tuin, het huis, alles leek ineens zo anders. De kozijnen waren niet meer bruin, wanneer waren ze geschilderd?
    Zijn ogen zochten in de tuin beneden, naar zijn moeder. 'Mam, waar ben je? Kijk eens hoe hoog ik ben,' schreeuwde hij opnieuw. Het bleef stil.
    Hoe was hij ook alweer in deze boom beland. Oja! De vleugels. Waar waren ze gebleven?
    Opnieuw begon hij zijn moeder te roepen. Hij speurde de tuin af. Gelukkig! Daar was ze. Ze keek bezorgd.
    'Meneer de Vries, wat doet u in die boom?,' zei zijn moeder. 'Hoe bent u daar eigenlijk in beland? Daar bent u toch veel te oud voor'. Hij keek naar beneden en glimlachte. Negenenzeventig jaar was hij nu, maar pas morgen werd hij oud.


© 2008 - Kortsluiting