Dirk de Rijk

Gedichten:

 

Zang van het Woud

III
Tijd glijdt af langs onze schepen
Ruimte kromt zich onder onze zweep
Ons boerenverstand schept woestijnen
En schept steeds goedkoper bloemen dan

Schoonheid oogsten onze blikken
Schoonheid gaat op transport
Naar levenloze havens
Helverlichte magazijnen

Welke vraag is nog tegen zoveel aanbod opgewassen?

V
Alleen in gehuchten kan hij wonen,
De stadse mens
Op twee plaatsen tegelijk zijn
Wil de forens

Voor de zekerheid, zie hem darren
Tussen zakelijkheid
En vermakelijkheid, tussen spiegelende karren
Ingeklemd

Zie de zon die opgaat
In zijn achteruitkijkspiegel.


Warming-up voor dichters

Koele avond, dennengroen
Daan Zonderwerk op dichterspad
In kiemend duister: witte rijmen.

Onweer was er en daarvoor: hitte
Een blikken ruimte, oude schuld,
Vol grijze toorn geladen: kiekeboe!

(een koe ligt dood terneer;
vol dood is altijd de ander)
Een schouwspel, waard en gast,

Dat vraagt om vergeten, om een
Waterwitte wijn van taal
En een eerlijke prijs voor het eten.


VINEX-idylle

Er stond een file,
Je mobieltje gaf niet thuis,
Ik ben gaan lopen
Langs varkensfokkerijen,
Legbatterijen, de gebalde wasem
Van het gekwelde dier
de zon stond hoog, de leeuwerik
Bezong de schoonste autodaken
Over rotondes, verkeersdrempels
Gestreeld door uitlaatgassen, liep ik,
Mijn hoofd in de o-zo heldere zomerlucht
Eindelijk bereikte ik je witte huis,
Verkeersluw gelegen, met de rug naar de natuur
We aten en dronken wat je van ver gehaald had
Je kinderen speelden op het tuinpad
En ach, ik deelde met een grijns
In je vastbesloten, flinterdunne vreugde
Ik plaste op mijn twijfels, liet klateren mijn lach
Zoals het water speelde in je HUBO-vijver,
Die met de juiste investering en
Achter een scherm van coniferen
Misschien de eerste echte winter overleeft.


Shetlands, of: het avondland spreekt tot de elementen

Wat kan het donderen!
En het dondert
Uit nooit vertoonden wolken
Vliegtuigen, gevuld met laatste levensbehoeften,
Storten neer uit stormluchten en boren zich
In uitgezwermde buitenwijken.

Wat kan het rukken!
En een staalkolos komt klaar
Op maagdelijke rotsen,
Al wat zwemt en vliegt vereeuwigd
In een nieuw laagje cultuur
Nieuwe tranen, zeehondjes!
Zo vlak voor het ter perse gaan.

We offeren aan de golven, aan de luchten
We memoreren diersoorten die onontdekt
Zijn uitgestorven
We weten altijd wat we doen en alles
Is mooi, alles is goed
En alles waar een eind aan komt,
Zal worden herhaald

En als het beeld door het scherm komt springen
En het brood met kranten wordt belegd
Staan we zelf op die rotsen
Waaraan we onze ogen hebben uitgekeken
Wankelen
Door de bezwerende gebaren
Van de mensen achter ons.


Klezmer

Zoals drank door kelen vloeit -
Soepel zalvend het leven en
Tegelijk de wonden schroeit

Windt de klarinet
Zijn klanken om mijn hart
Zich rankend om een zoutpilaar.

Er aan ontwringend
Blije tranen,
Vervloeien in het nu.

Voorwaarts, opwaarts
Struikelend over maatstrepen
Kronkelend naar
Opglijdend, maagdelijk oprijdend
Tegen andere mystieke lichamen
Van stervelingen
die zich overgeven aan een feest.


Jaargetijden

I
Bevarend zeven kratten bier
Aardend daar, dromend hier
en nu: het mooiste, muziek

Ontzegelend nooit gelezen boeken
Verzoenend binnensmondse vloeken
Strelend grassen, golven en jouw huid

een vis, herboren in de maag van Captain Iglo,
zich opzingend naar het noorderlicht
Lichtvinnig overspringend elk knarsend tijdsgewricht

zijn kuit het vuurwerk van de zomer,
afgelopen het uurwerk van de dromer -
ruisen, blue noise, zonnewind

IV
Onzeker kijken de dingen om zich heen.
Nee, er is niemand die op hen let
en aarzelend laten ze de betekenis van zich afglijden
die ze eeuwen, jaren, dagen
met zich hebben meegezeuld,
slaaf van mensen
die nu wat anders aan hun hoofd hebben.

V
Herfstbal spelen
man en vrouw
onder de rook
van winderige hemelen

tijd bladert van de populieren.

VII
Alles moet weg
Ik moet ertussenuit,
Me eindelijk laven aan de zon,
die daags de kantoren kietelt
en bloedrood, >s nachts, over de einder kantelt,
van een altijd eendere bange droom.

VIII
Cool as fuck - eine Winterreise

Nacht is het en roest vreet aan de grote klok
bezwaren kleven aan het been en aan het blok.

Licht alleen het zolderraam
Waardoor een hete notenbrij naar buiten schokt
Wilde harten maken krassen op de maan
45 toeren draait de tafel
waar ik zingend op wil staan.

Maar ach, de sterren vallen in de veel te vroege krant
er heerst een griepje in het land.

IX
Het schaarste goed is
Bij het scheiden van de markt
het uitwisselen van waardeloze tederheden

In erkenning van het zijn
zwijgt het innerlijke zwijn
en wroet niet meer, doch schurkt slechts

X
Avondwind die in duizeling
Zijn houvast vindt
Alsof een donker tapijt
Onder huis, boom, beest wordt weggetrokken

Vreemd dat de dingen blijven staan,
Gezien de bladeren die zo hevig trillen
De lichten, die doven een voor een,
Terwijl de rook van m'n sigaret opstijgt naar de sterren

Alsof lichtjaren ook door dit beschutte duister waren:
Tussen de huizenwanden een nachtlang dood.
En wij: een leven lang slechts bij elkaar.


Groningana

I
Op de kleinste terp
de dichtste kerk

de dikste zerk
op het diepste graf

De plaats van tijd,
door mos bevrijd

van opdringerige blikken
Bezinning, landwinning

Genadevol rechte schacht
leid mij
naar het Groninger magma

II
Koud goud de bladeren
en helder blauw
de hemelse waskeuken

Tijd voor de stadjer
het veld te ruimen voor de boer
in zijn gesteven overall,
aan zijn klompen vette klei

die onderploegt het dons
van gevlogen vogels
en ophaalt het blinde volkje van de dood.

III
Nu komt er niemand.
Tractoren beschrijven een wijde boog
om de wierde.
En ook hier staat de toren scheef
gebakken rode stenen, hakkelende poging tot een preek -
Ach, laat mij ook zo maar zakken in de klei,
toegedekt zijn met dit wuivend groen,
gewassen in deze stille regen,
afwezig zelfs in de ogen van omwonenden
verhuld de hemel, toegedekt
met donzen wolkenschemer
Het orgel zwijgend als in een vogelkeel
zeker, zang zal komen
klinken door de ramen
dragen over het land
protesteren tegen het grijs
en dan vervliegen aan de dijk

IV
Middelpuntvliedend is de nieuwe mens,
vol zijn de wegen,
leeg is het land.

De weiden waaruit alle kleur lijkt te wijken,
Zodat de tekentafel erdoorheen schemert.
Ik zie er vale schaapjes uit de kadaverbak,
Die nog even als kraakwacht fungeren.

Dartel zijn alleen de centjes.
Ze zijn de ventweg allang af.
Bij Intratuin en Marktkauf
Staan de coniferen en de vlonders in het gelid.
Waarmee het land afgepaald
En in een achtertuin veranderd zal worden


Fryske gea

Hoe men de aarde ook wendt of keert,
Met zonnesaus besmeert of juist
Met elfstedenijs glaceert -
Altjd draait zij volleerd
Details tot voor het bijziendste oog
Nu,vers van het netvlies geplukt,
Een beeld, nog nauwelijks droog:

Kijk, een boswachter, wiens taakomschrijving
Zich vernauwde tot ontslag.
Met achterlating van zijn immergroene das
Treedt hij de ondergaande zon tegemoet,
Komt los van de bosrand,
Struikelt naar de vliedende lichthand.
En staat aan het rimpelloze Ijsselmeer -
Wat strijklicht over die ene surfer en al dat water,
Wat vet voor op een veer,
Een aalscholver met gespreide vleugels staat er,
Drogend de dood in zijn ingewanden,
Of een 'zij' - preluderend op haar eierstokken,
Tot er sterren zijn te zien.

Hoe dan ook - een bosjesman wacht er
Op een oeroud worden van de wereld
Op een door worteling te baren nieuwe dag,
Waarop hij als park ranger in spe
Naar zijn eigen baan solliciteren mag.


Ladies & gentlemen, we are floating in space

Vrienden,
zijn wij in stasis
en op weg naar een verre planeet?

Wat kijken we vanuit onze cocons
naar elkaar terwijl
een alien aan onze ingewanden vreet?

Zijn aan het eind van een millennium
alleen onze computers van slag,
teistert alleen beurzen de krach

Of zijn ook wij lege hulzen,
levenloze Laika's aan wie de wet van de traagheid
Een schijn van leven geeft?


Botenhuis

Het daagde zelfs de stad van steen
Opnieuw versufte arbeiders op de been -
Het feest liep nu ook op het balkon ten einde.

En wat al tijden vergaat
Vergat even te sterven in deze schoonheid,
Deze glorieuze nieuwe dag.

Wensen namen afscheid,
Mensen hulden zich in zwijgen
In het licht van wat hier werd.

Ik wist niet wat luider klonk -
De drankfontein in m=n lucide brein,
De trek van auto=s over het pasgestolde asfalt,
Of de vleugelslag van zonvergulde meeuwen.

Dat alles was.


© 2008 - Kortsluiting