André Degen

André Degen werd in 1963 geboren in Leek. Hij studeerde Frans in Groningen, maar koos voor het beroep van reclametekstschrijver. Op zijn drieëntwintigste voerde hij een kortstondige correspondentie met Gerard Reve en ontmoette hem enkele malen, hetgeen resulteerde in het voor Reve weinig vleiende gedicht Afrekening, dat gepubliceerd werd in het Vlaams-Nederlandse literaire tijdschrift Appel. Degens gedichten werden daarnaast gepubliceerd in Krakatau, Tzum, Noachs Kat en het Vlaamse tijdschrift Weirdo's, alsmede in poëziebundels van Uitgeverij De Vleermuis en in verzamelbundels van Concept.

In 1995 trad Degen op voor het Open Podium van Poetry International, dat gepresenteerd werd door Simon Vinkenoog.

Eén van Degens verhalen werd gepubliceerd in het literaire blad Schrijver & Caravan. Op Lydia Rood, die ook een bijdrage leverde voor Schrijver & Caravan, schreef Degen een - overigens wel vleiend- gedicht, hetgeen een kortstondige briefwisseling tussen Rood en Degen tot gevolg had.

Verder schreef Degen enkele reisbijdragen voor Spits!

In april 2001 won Degen de Apollo Poëzieprijs. Zijn gedicht 'Hulshorsterzand' werd toen gekozen uit 265 inzendingen.

In oktober 2001 behaalde Degen de tweede plaats bij de Plantage Poëzieprijs (het aantal inzendingen bedroeg toen 424).

In het najaar van 2001 is er een gedicht van Degen tezamen met een van Remco Ekkers en Rienk Kruiderink verschenen in een bibliofiele uitgave van uitgeverij Bekker & Veltman.

Tijdens de Poëziemarathon 2003 bracht Degen samen met collega-dichter Rense Sinkgraven het poëtisch-muzikaal programma 'Degen & Sinkgraven prostitueren zich!' in De Benzinebar in Groningen.

Op 27 april 2003 deed hij ditzelfde programma nog eens in het Prinsentheater in Groningen en op 24 mei 2003 in Harderwijk tijdens de culturele manifestatie Kulting.

Degen staat met een korte biografie en enkele van zijn gedichten op de site http://www.epibreren.nl

 

Dichters

De tap stond weer als een spuigemaal open
en onze woorden begonnen als mieren
door elkaar heen te lopen.
Mijn kameraad Rense zei
-bierglas als nonchalante microfoon
voor zijn doordrankte kop-:
"André jongen,
wij dichters zijn de seismografen
van het menselijk gemoed;
onze hand registreert op papier
de lichtste trillingen
van de menselijke ziel,
maar wij schrijven niet zelf,
onze hand wordt voortbewogen,
wij zijn antennes op het dak van de stad
die noodkreten opvangen
door de regen gemorst over onze hoofden,
wij buigen, maar wij breken niet,
onder de striemende adem van God
heen en weer zwiepend tussen
hoop en wanhoop
moeten wij
onze boodschappen verspreiden."
-Ik keek hem sprakeloos aan,
zijn woorden zonken mee
met de drank.
Ik dook, kreeg een klap
van de bodem van het glas.

Wees nou eerlijk:
wie zou het
met zo'n serieuze taak
op zijn schouders
van tijd tot tijd
niet gigantisch op een zuipen zetten?



De jeugd heeft de toekomst

Al die pubermadammekes
die nu onoverwinnelijk
lachen over mij heen
en achter onbetaalbare drankjes
de ernst afpoeieren,
zullen ze nog lachen
als hun bestaan
twintig jaar versleept is
en ze geleerd hebben
wat moe zijn is?
Drinken zullen ze nauwelijks meer,
alleen te drinken geven
uit hun schommelende lijven.
Ze zullen de zondag
zorgvuldig leren haten
de madammekes van nu nog plezier
als schoonpa het rouge
gretig van hun wangen hapt.
De koffiekopjes van schoonmoe
doorschijnend teer;
alsof je drinkt
uit de schedels
van oude mensjes.
Gehoorzaam
zullen ze
het gif naar binnen brengen.
In zwijgen
dat zich een terugweg lang uitstrekt,
vastgesnoerd naast een kerel
die opnieuw moet leren praten.
-Ach, laat ze dan nu nog maar naar binnen brengen
het zoete, heilloze medicijn.


Bruiloft

Vanuit dodenmaskers
die zich door pancake
jeugd hebben laten aansmeren
zakken valse tanden weg
in taarten, allang niet vers meer.
De corsages hebben op onze harten
niet kunnen gedijen.
Ik drink en drink
maar ik krijg mijn lenzen
niet op soft focus vanavond.
Vlekkige spekruggen
lillen uit gapende jurken
en drillen als weekdieren
over mijn gezicht.
Bretels
houden verzakte lachjes op.
En aan de onverzettelijk lange tafels
hangt een landerig tribunaal;
de veroordeelden trekken vrolijk voorbij.
Ontkom maar eens
aan de wurggreep
van de polonaiseslang.
Nou ja, de joligheid smeert lekker weg:
ik wrijf toegestane handtastelijkheden
royaal uit
over de ongedekte schouders
van mijn knappe voorgangster.
De bruid danst een rouwrand
aan haar sleep.
Maar ze lacht en lacht.
(Ze moest het ook niet wagen
die lach nu af te zetten.)
In drank opgeloste woorden
verliezen niets van hun giftigheid.
Hoe sulliger de oom,
des te vileiner de tante;
dat is in mijn familie
altijd al oerwet geweest.
De showband
die de krachtstroom goed kan gebruiken
speelt een afgeleide van muziek
die wortelt
in de zompen van
Klazienaveen.
Ik hoor dat er veel gaat
boven het bereik van de zangeres.
Sigaren smeulen
met weinig vuur
naar het gat in de nacht.
Aan het eind van de tunnel
gaapt de tandeloze morgen.
Hoe pareren we dan weer
de uitval der spiegels?
Het morgenrood
zal zwakjes gloeien
als lippenstift
op een sigarettenpeuk.
Door de nacht gezakt
blijf ik liggen
in een potdicht souterrain.
-Het bruidspaar op een vlucht
naar de Bahama's;
twee weken krimpend niemandsland.


Steedse dichters in Stedum

Naar Stedum spoort ons
speelgoedtrein;
voordrachtavond.
Uitstap op station
dat zich verliest
in vlakte
godverlaten.
De Voorleessalon
enge bovenkamer
van dorpscafé
vol gemankeerden even
uit hun inrichting
vrijgemaakt.
Poëzie verknust hier tot
knutselarij
handwerkjes
met patroon gelijk aan
de herfstdraden van plaatselijke
kantklosters.
Witte wief Geertje
snaart waanzinnige liedjes
op natuurlijk valse gitaar.
In Stedum zijn heksen nog niet
te licht bevonden.
We roepen poëzie uit
over hoofden vol
stugge boetseerklei.

Om niet
in dit nergensnooitverwaaigat
voor eeuwig verdoemd
rond te dolen
rennen we terug naar 't station
ademloos
langs het kerkhof
één zerk uitgelicht
en in dronken visioen
zie ik in 't spotlicht
een gedicht in dat tablet
met daaronder mijn naam plus einddatum.

© 2008 - Kortsluiting